tovervisje.nl

het Tovervisje

Piggelmee en het Tovervisje

In het land der blonde duinen
En niet heel ver van de zee,
Woonde eens een dwergenpaartje
En dat heette “Piggelmee.”

‘t Waren heel, heel kleine menschjes
En ze woonden – vrees’lijk lot,
Want ze hadden heel geen huisje -
In een ouden, keulschen pot.

Voor de zon en voor den regen -
Nooddruft had hun dat geleerd -
Hadden zij dien steenen pot, met
d’Oop’ning naar den grond gekeerd.

Toen een gat er in geslagen,
Klein, maar groot genoeg toch voor
Hun zoo kleine dwergenlijfjes
En daar kropen zij dan dóór.

‘t Vrouwtje zorgde voor het eten
Maar…. dat eten moest er zijn,
“t Ventje ging dus daag’lijks jagen
Schoot een haasje of konijn.

Met een heel, heel klein geweertje,
Dat gaf niet zoo’n grooten klap
En dan ging hij op zijn klompjes,
Met zijn konijntje vlug op stap.

Zóó nu wist dat dwergenpaartje
Zich te schikken in zijn lot
En zij leefden vele jaren
In hun omgekeerden pot.

Toen, wie had dat kunnen denken?
‘t Onverwachte komt altijd,
Door een onverwachte tijding
Werd hun hart door hoop verblijd.

Op een mooien zomermorgen
Lazen z’ in de “Dwergenkrant”
Dat er was …. een “toovervischje”
Komen zwemmen naar het strand.

‘t Vischje dat, met staart en vinnen
Vlug zich door de golven sloeg
Kon je alles, alles geven,
als je ‘t hem maar need’rig vroeg.

Doodstil werd het op dien morgen
In den ouden keulschen pot,
Want de beide dwergjes dachten
Aan hun droef en arm’lijk lot.

…Need’rig vragen…alles krijgen…
Alles en… zij hadden niets.
..’n Vischje, dat..zoo mooi kon toov’ren..
Toov’ren?…”manlief, zei je iets?”

“Ik?-Neen”-”Zou je.. manlief..durf je
Niet eens naar dat vischje gaan?”
“Vrouwtje lief, dat doe ik zeker,
Vóór je ‘t zei, dacht ik er aan.”

“En,… wat wou je hem dan vragen,
Als je heusch dat vischje sprak?”
“…’t Allereerst, dunkt mij, een huisje
Met schoorsteen en dak,”

“n Huisje, ècht, een heuschlijk huisje?
Durf je dat te vragen man?
Zoo een huisje met een deurtje
Waar je echt in wonen kan.

Ik, nog éénmaal in een huisje!
Mensch? wie had dat ooit beleefd,”
En haar kleine oogjes glimmen
Van de vóórpret die ze heeft.

En… Des morgens in de vroegte
‘s And’rendaags ging Piggelmee,
Klossend op zijn kleine klompjes
Door de duinen naar de zee.

“Vischje!” riep hij reeds van verre
Met zijn handjes voor den mond,
“Vischje”, kan ik je eens spreken,
Zwem je hier in d’omtrek rond?

En toen klonk er plots als antwoord
Uit de verre, wijde zee,
Zacht en zilver stemgeluidje:
“Riep je, ventje piggelmee?”

“Ja ik! Ja IK!” riep het ventje
En hij trilde van genot;
“Vischje, och geeft mij een huisje,
‘k Woon maar in een steenen pot.”

“Ga maar! Ga maar! riep het vischje
‘Geven kost mij niemandal,
Ga maar gauw naar huis m’n ventje,
Want je huisje staat er al.”

En… vergetend te bedanken
Liep het dwergje, dol van pret
Naar.. zijn pot, waar die stond, was
Nu een huisje neêrgezet.

Uit één van de vele raampjes
Riep zijn vrouwtje, o! zoo blij,
“Piggelmee! wat zeg je dáár van?
Kijk eens hier, hier wonen wij.”

Piggelmee zag met verbazing
Nu zijn keurig huisje staan
En hij wilde door het deurtje
Als een heertje binnen gaan.

Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten
“t Huisje is wel aardig, maar
‘t Zou je binnen niet bevallen,
Want het is nog lang niet klaar.”

“Je moet daad’lijk op je klompjes
Nog eens naar de zee gaan, man,
Want een huisje zonder meubels,
Kijk, wat hebben wij daar an!”

“Vraag het vischje een paar stoelen
En een tafel en een bed,
En… gordijnen voor de raampjes,
Want dat staat zoo keurig net.

En nog meer, wat wou ik zeggen,
Ja zoo véél nog, ga maar vast
Er moet nog een spiegel wezen
En ook nog een linnenkast.”

Vroolijk fluitend, op zijn klompjes,
Ging het dwergje Piggelmee
Weer naar’t strand en riep van verre:
“Vischje! Vischje! in de zee!”

Onbeweeg’lijk bleef de verte,
Niets te zien in zee en lucht,
Dan een eenzaam strandpluviertje,
Dat zijn heil zocht in de vlucht.

Toen kwam weer dat stemgeluidje,
Zilverzacht uit verre zee:
“Riep je nu weer m’n baasje?
Riep je, dwergje Piggelmee?”

“Ja ik!” riep verheugd het dwergje,
“‘k Dank je voor het huisje wel,
Maar ik wou zoovéél nog hebben,
Meubels en gordijnenstel.”

“Ga maar! Ga maar!” riep het vischje,
“‘t Geven kost mij niemendal,
Ga maar gauw naar huis m’n ventje,
Want je meubels staan er al.”

Toen het dwergje thuis kwam, vond hij
Druk zijn vrouwtje in de weer
Met het boenen van de meubels
En zij sprak als d’eersten keer:

“Man, je moet nog weer terug gaan,
Want het vischje is zoo goed,
Vraag voor mij wat mooie kleêren,
En een mantel en een hoed.

Voor je zelf een flink paar schoenen
Want, zooals je zelf wel ziet,
Met die klompjes aan je voeten
Pas je in ons huisje niet.’

En….ofschoon hij nu wat moe werd
Ging het dwergje Piggelmee,
Klossend op zijn kleine klompjes
Wéér naar ‘t vischje in de zee.

Gaarne liep hij door de duinen
Maar het werd hem nu wat saai,
Boven hem vloog hoog een zeemeeuw,
Vóór hem een Vlaamsche gaai.

“Vischje!” riep hij reeds van verre,
“‘k Zou’t niet wagen weer zoo gauw
En zoovéél te komen vragen,
Maar ik moet wel voor mijn vrouw.

Kijk, ze wil wat kleêren hebben
En een mantel en een hoed,
En voor mij een flink paar schoenen,
“‘t Vischje,” zegt zij, “is zoo goed”

“Ga maar!” riep opnieuw het vischje
“Och! ik kén de vrouwtjes wel,
Je zult thuis reeds alles vinden
Ga maar heen en loop maar snel.”

En het dwergje thuis gekomen
Vond zijn zijn vrouwtje reeds gekleed,
Zich bekijkend in den spiegel
En ze sprak:….”Het doet mij leed”

“Piggelmee, je moet teruggaan,
Want ik kan met goed fatsoen,
Nu niet uitgaan, als ik weg ben
Wie zal hier den boel dan doen?

Ga het vischje nu nog zeggen.
Dat ik niet meer heb den tijd
Om te boenen en te koken,
Dat ik hebben moet een meid.”

Piggelmee keek nu zijn vrouwtje
Voor het eerst gramstorig aan,
Maar hij durfde niets te zeggen
En… enfin… hij zou maar gaan.

Onderweg dacht hij nog telkens
Aan zijn stulpje van weleer
En… dat hij het nu zoo goed had,
Maar… hij floot geen liedje meer.

“Vischje!” riep hij reeds van verre
“Vischje, vischje, in de zee!!”
“Roep je weêr?” vroeg nu het vischje
“Roep je, dwergje Piggelmee?”

“Ja ik!” riep beklemd het ventje
“Och! mijn vrouw heeft nu geen tijd
Om haar huisje schoon te houden
Zegt ze, en…. ze vraagt een meid.”

‘t Vischje gaf niet daad’lijk antwoord,
‘t Was als of het even dacht,
Maar toen klonk wéér ‘t stemgeluidje:
“Dwerg dat heb ik wel verwacht.”

“Ga naar huis, je zult er vinden
Alles netjes aan den kant
En een meisje vlug en helder,
Ook een uit het dwergenland.”

Piggelmee, vermoeid van ‘t loopen
Ging naar huis, zijn vrouwtje was
Ook zoo even thuis gekomen,
Maar niet bijster in haar sas.

“Piggelmee, je moet teruggaan,
Daad’lijk, ‘k ben er op gesteld,
Onderweg wou ik wat koopen,
‘t Was zoo mooi, maar.. ‘k had geen geld.”

Ga het vischje nu nog vragen,
Om wat geld, een vollen zak,
‘k Moet toch ook de meid betalen,
Dáárna, neem je je gemak.”

‘t Ventje ging met loome schreden
Nog een keer naar ‘t vischje heen,
‘t Was intussen laat geworden,
‘t Strand lag éénzaam en alléén.

Voor zijn voeten sloop een wezel
Azend op een duinkonijn,
En het ventje schrikte even,
Want och! hij was zelf zoo klein.

“Vischje!” riep hij reeds van verre
“Vischje, vischje, in de zee!!”
“Riep je?” klonk het nu weer vroolijk,
“Riep je? vrindje Piggelmee?”

“Ja ik!” riep verruimd het ventje,
“Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer,
want zij moet de meid betalen
En wat koopen en zoo meer.”

“In ons huisje is nu alles
Wat gemak en vreugde biedt,
Zegt mijn vrouwtje, maar dat ééne,
Geld zegt zij, dat heeft ze niet.”

“Ga maar!” riep nu plots het vischje,
‘t Geven kost mij niemendal,
Daar had ik om moeten denken,
Ga naar huis, het is er al.”

‘t Vischje ging nu naar de diepte,
‘t Ventje ging naar huis, ‘t werd nacht,
….In het aardig dwergenhuisje,
Was een zak vol geld gebracht.

Lange tijd was ‘t heel gezellig,
En Piggelmee die was veel thuis.
Maar zijn vrouw nu, werd ontevreden,
ontevreden over haar nieuwe huis.

“Ga, naar ‘t vischje” sprak het vrouwtje,
‘k wil wonen in een kasteel,
Als een adelijke dame,
En luisteren naar muziek van-minnestreel.

Zo ging ons ventje schoorvoetend,
Naar het vischje van de zee,
“Vischje, vischje” riep hij in de golven,
“Vischje, vischje” riep hij naar beneé.

Het vischje kwam weer boven,
Vroeg’an Piggelmee wat ‘t nu weer was?,
“De vrouw wil deftiger wonen,
Met een kasteel is ze in heur sas.”

Je wensen zijn vervuld heer Piggelmee,
Het betekent voor mij niet veel,
“Ga naar nu snel naar huis toe,
Je zult aanschouwen je vrouw in heur kasteel!”

Rap ging nu ons dwergje huiswaarts,
door de duinen, reeds zag hij van verre,
De machtige torens van het kasteel
Met daken blinkend als de sterre.

Maar helaas, wat is op aarde
Blijvend, ook tevredenheid
Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen
Wordt verdrongen door den tijd.

Op een morgen sprak het vrouwtje,
“Het gaat niet naar mijn zin,
Ga naar het gulle vischje,
Adelijke dame zijn is mij te min.”

“Zeg hem dat ik wil regeren,
Als een koningin heel machtig,
Dat de mensen voor me buigen,
Dat vind ik pas prachtig!”

Wederom moest hij gaan lopen,
Ons vriendje Piggelmee,
Weer een wandeling maken,
Naar het vischje in de zee.

En aan vischje voor z’n vrouw,
Een gunst gaan vragen.
Ze was steeds ontevreden,
Schijnbaar alle dagen.

Weer liep Piggelmee door het duin,
Kwam bij de zee weer aan,
En wilde nu het vischje roepen,
Zijn vraag voorzichtig stellen gaan

Nu werd plotseling het water
Vlak nabij een rimp’lig vlak,
Waar het glazend toovervischje,
‘t Zilv’ren snuitje bóven stak.

Ditmaal was ‘t zilveren vischje,
Piggelmee ‘s vragen voor,
Stuurde hem naar zijn ontevreden vrouw,
Die regeerde, en zich krabde achter heur oor!

Zóó…’t is vele maanden later
Zien we vriendje Piggelmee
Daag’lijks weer zijn wand’ling maken
Naar het vischje in de zee.

Dan een “dit” en dán een “datje”
Altijd was het voor zijn vrouw
En altijd als hij terugkwam,
Had vriend Piggelmee berouw.

Eéns, het was zoo koud dien morgen,
Moest onze arme Piggelmee,
Hij wou juist wat langer slapen,
Toch naar ‘t vischje, toch naar zee.

De vrouw wilde heersen over aarde,
Over oceaanen en de diepten der zee,
Wilde het vischje als bediende,
Zij vond het een machtig idee.

Piggelmee stampte met z’n voeten,
Hij durfde niets te zeggen,
En moest met tegenzin toch gaan,
En ‘t vischje deze vraag voorleggen.

En… het kraagje van zijn jasje,
Voor de koude hóóg nu dicht,
Gong het arme Piggelmeetje
Naar de zee, met bang gezicht.

“Vischje, Vischje,” klonk het angstig,
Over ‘t water als een kreet.
“Vischje,” ‘k moet je weêr wat vragen
En dat doet nu echt mij leed.

“Vischje, ik wou heusch niet komen,
Want ik dacht wel, dat wordt mis,
Wederom is het mij vrouw,
Die nu wel zéér ontevreden is.

Plots’ling kwam er op het water
Nu een breede rimpelkring,
Wijl het anders kalme vischje
Nu heel boos aan ‘t spart’len ging.

En zijn antwoord klonk heel driftig
Als uit dicht geschroefde keel:
“Dwerg, ga daad’lijk naar je vrouw toe
Zeg haar dit: zij eischt te veel,”

Zeg haar, dat ik haar zal straffen,
‘t Spijt mij wel voor jou m’n vrind,
Ga naar huis en ga eens kijken
Hoe je dáár den toestand vindt.”

Langzaam aan verdween de rimpel
Die op ‘t water zichtbaar was,
‘t Vischje dook en… als een spiegel
Werd de wijde waterplas.

Piggelmee stond nog te kijken
Toen, in ‘t naad’rend avonduur
Ver in zee de zon ging zinken
Als een bol van laaiend vuur.

Diep verslagen ging hij henen,
Angstig nu voor dreigend leed,
Hoog in ‘t blauw verdween een reiger
Met een aak’lig schorren kreet.

Sloffend liep hij door de duinen
En zijn schoentjes wogen meer
Dan hem ooit zijn klompjes wogen
In de dagen van weleer.

Toen hij meende, dat hij thuis was
Keek hij als beteuterd rond,
Want de keulsche pot stond dáár weer,
Waar zoo straks het kasteel nog stond.

En zijn vrouwtje zat te huilen
“Piggelmee, wat vrees’lijk lot,
Weer, nu weêr te moeten wonen
In dien ouden keulschen pot.”